Nicolaaskerk Dwingeloo

Overweging

 Overweging Pasen – dan zal ik leven

De zondag is de dag die herinnert aan de opstanding. De eeuwen door komt de gemeente daarom samen juist op die dag.
In het tellen van de veertig dagen vòòr Pasen slaan we daarom de zondag over: we tellen de weekdagen, beginnend op Aswoensdag, en komen zo na 40 uit op de (eerste zondag van) Pasen. De zondagen in deze veertig dagen zijn als stapstenen die ons verder leiden naar het centrale feest: Pasen.
En omdat de opstanding hét centrale gegeven is in ons vertrouwen op de bemoeienis van de ENE met ons allen, tellen we die dag juist wél mee als we vrolijk verder gaan. Op de 50e dag van Pasen vieren we dan Pinksteren. Maar daarover een andere keer.

De veertig dagen herinneren ons aan de veertig dagen van Jezus in de woestijn. Het is een tijd die ons direct herinnert aan de veertig jaren van het volk dat is bevrijd uit het angstland, en op weg is naar Beloofd Land. Het getal 40 heeft te maken met de tijd van losmaken, de tijd van angst voor het loslaten van wat bekend was, de tijd van vragen, de tijd van hoop die groeit.

En dat is een heel herkenbare tijd. Ik ken mensen die regelmatig met dit soort vragen bezig zijn, ik ken sommige die een leven lang onderweg zijn in de woestijn.

De veertig dagen voeren toe naar het hoogtepunt: de Stille Week, met de vieringen van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en de Paaswake. In die dagen is er één viering verdeeld over drie diensten, omdat dat hoogtepunt niet in één keer is te verwerken.

Pasen is een nieuw begin, telkens weer. Een uitnodiging om alles nieuw te zien, om in vertrouwen verder te gaan, hoe dan ook. Dat vind ik grandioos!

Op hun manier zijn het de dichters (vrouwen en mannen) die de verwondering om dit nieuwe soms zo grandioos weten te verwoorden. Als illustratie daarvan het onderstaande gedicht van Huub Oosterhuis.

Het zal in alle vroegte zijn als toen.
De steen is weggerold.
Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet -
wij zijn in bekenden veranderd.
 
De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik. Lange halmen, aren
waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,
bergopwaarts, en worden wolken.
Daarachter, kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.

Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen.
Dan zal ik leven.


Via deze weg wens ik u en jou een Pasen vol verwondering toe!

Ds. Daan Bargerbos